| Werkzame personen | Betonvlechtersbedrijven | Metsel- en voegbedrijven | Aandeel eerste branche |
|---|---|---|---|
| 1 persoon | 1.655 | 5.200 | 91,4% |
| 2 personen | 105 | 325 | 5,8% |
| 3–4 personen | 30 | 105 | 1,7% |
| 5–9 personen | 15 | 70 | 0,8% |
| 10–19 personen | 10 | 45 | 0,6% |
| 20–49 personen | 0 | 20 | 0% |
| 50–99 personen | 0 | 0 | 0% |
| 100+ personen | 0 | 0 | 0% |
Bron CBS, StatLine 81589NED, SBI 2008. Een Nederlands bedrijf kan meerdere vestigingen omvatten. Percentages en grenzen zijn benaderingen op afgeronde aantallen. Januari 2024 is definitief, 2025 nader voorlopig en 2026 voorlopig. De vergelijkingsbranches zijn niet opgeteld.
Hoe herkenbaar is een kleine ploeg in betonvlechtersbedrijven?
Van de 1.810 bedrijven vielen er 105 in de groep met twee personen en 30 in die met drie of vier. Samen geeft dat ongeveer 7,5% van de bedrijventelling. Voor metsel- en voegbedrijven komt dezelfde optelling op 430 van de 5.765 uit, of 7,5%. Het verschil vertelt je in welke groep een kleine ploeg vaker voorkomt. Je hebt nog een afzonderlijk rooster nodig om te weten hoeveel mensen op hetzelfde moment aan een opgeleverde opdracht werken.
Neem dezelfde bedrijfsgrootte mee naar de tweede afspraak
De twee grootste categorieën binnen betonvlechtersbedrijven waren bedrijven met één werkzame persoon en met twee werkzame personen. Hun aantallen waren 1.655 en 105. Bij metsel- en voegbedrijven stond één werkzame persoon bovenaan met 5.200 bedrijven. Wil je weten of een aanpak overdraagbaar is, vraag dan om een gesprek met iemand die een vergelijkbaar aantal werkplekken draagt. Laat de ander opnemen, uitvoeren en opleveren langs één opdracht uitleggen en bepaal wie voor een tweede bezoek aan dezelfde klant bereikbaar blijft.
Welke vergelijkingsbranche ligt het dichtst bij betonvlechtersbedrijven?
De vergelijking draait om de maatstaf ‘aandeel van bedrijven met twee tot en met vier werkzame personen’. Hiervoor staan 6 activiteiten uit hoofdtak 43 naast elkaar. Het laagste resultaat komt voor rekening van betonvlechtersbedrijven (7,5%), het hoogste voor overige afwerking van gebouwen (15,3%). Van de 5 vergelijkingsbranches komt geen onder 7,5%. Zelfs metsel- en voegbedrijven ligt met 7,5% op of boven het meetpunt voor betonvlechtersbedrijven. Kies je uitsluitend op het totale bedrijfsaantal, dan kom je uit bij sloopbedrijven met 2.605 bedrijven. Selecteer je op de gemeten verdeling, dan is metsel- en voegbedrijven met 7,5% de nadere vergelijking.
Wat veranderde er tussen januari 2020 en januari 2022?
Binnen de geselecteerde januarimetingen lag de sterkste verschuiving per jaar voor SBI 43992 tussen januari 2020 en januari 2022. De uitkomst ging van 7,5% naar 6,6%. Over 2 jaar is het verschil -1 procentpunt, of gemiddeld -0,5 procentpunt per jaar. Bij metsel- en voegbedrijven ging dezelfde maatstaf over die twee peildata van 8,7% naar 8,7%. De verandering van het totaal tussen oktober 2025 en oktober 2026 bedroeg -245 bedrijven. De telling van bedrijven met twee tot en met vier personen verschoof tegelijkertijd met -10. Daardoor veranderde de gekozen maatstaf van 7,1% naar 7,5%.
Wanneer betonvlechtersbedrijven zelf weinig referenties van passende omvang oplevert, is metsel- en voegbedrijven een tweede richting om te onderzoeken. Beschrijf tegenover de adviseur het concrete werk aan een opgeleverde opdracht. Een begroting die is ontleend aan metsel- en voegbedrijven verdient vooral uitleg over de omvang van de ploeg, de beschikbaarheid tijdens een tweede bezoek aan dezelfde klant en de uren die de eigenaar zelf maakt.



